De vangstmethode | ![]() |
Bij het kooien kiest de kooiker afhankelijk van de windrichting één of meer vangpijpen uit, waar hij tegen de wind in kan vangen. Eenden vliegen namelijk altijd tegen de wind in. In de afgeschermde en afgedekte vangpijp zullen ze, via het 'scherpe eind' of de fuik, naar het vanghokje waar het lichter is en de wind vandaan komt - opvliegen. Het is logisch dat de eenden het gevoel hebben daar te kunnen ontsnappen.

Het lokken van eenden
Het lokken van de eenden begint van achter het 'kopscherm'. Van daaruit heeft de kooiker een goed overzicht op de 'wilde eenden' die op de kooiplas en de oevers zitten. Deze wilde eenden zijn hier gekomen dankzij de 'vliegstaleenden'. Deze eenden (een groep van enkele honderden tot duizenden eenden) keren na hun nachtelijke voedseltochten weer terug naar de rustige kooiplas en nemen dan hun wilde soortgenoten, die samen met hen naar de kooiplas opvliegen, mee. Veel van deze eenden zijn 'afgekoeld' of 'verkooid' ' Dit zijn terugvliegers die net niet gevangen zijn, maar als ontsnapte eenden de rust van de kooiplas wel waarderen en steeds terugkeren. De derde groep eenden op de kooiplas wordt gevormd door de tamme eenden, de 'lokstal'. Dit is een groep van enige tientallen tot honderden eenden die min of meer permanent op de kooi zijn. Deze eenden zijn vertrouwd met de kooiker, het hondje, het voer en de vangpijpen.
Het kooihondje
Deze 'lokstal' gaat na het signaal van de kooiker aan het werk. De kooiker fluit de lokstaleenden en laat het hondje een eerste rondje lopen, terwijl hij het voerzaad over de rietschermen heen in de vangpijp strooit. De wilde eenden, onrustig en nieuwsgierig, zwemmen met de tamme eenden naar de vangpijp toe. Het kooihondje loopt ondertussen een aantal keren om de 'kortschermen' heen en verplaatst zich steeds verder de vangpijp in, waarbij zijn pluimstaart de eenden als het ware de vangpijp in lokt. 'De eenden trekken op de hond', zegt de kooiker. De tamme eenden zwemmen rustig de vangpijp in en snateren het voer uit het water en van de kanten. De echte wilde eenden krijgen zo een vertrouwd gevoel en zwemmen al etend steeds verder de vangpijp in, totdat ze de bocht voorbij zijn, het zicht op de kooiplas voor de eenden verloren is en slechts een smal slootje rest.
De kooiker
De kooiker loopt dan achter de rietschermen langs tot hij bij het 'kooischerm' is. Van hieruit kan zowel naar de plas als naar het vanghokje in de fuik van het scherpe eind worden gekeken. Dan komt het op zijn vakmanschap aan: hij moet op het juiste moment te voorschijn komen en de eenden laten opschrikken. Hierdoor vliegen de eenden de fuik in en komen uiteindelijk in het vanghokje terecht. Op dat moment trekt de kooiker via een touw het valluikje dicht. De eenden kunnen dan niet meer ontsnappen. De eenden worden vervolgens eruit gehaald en voorzien van een pootring van het 'Vogeltrekstation', om ten dienste van de eenden zelf en het wetenschappelijk onderzoek weer te worden losgelaten. Of ze worden snel en pijnloos gedood met de zogenaamde 'kooikersgreep'; daarna worden ze bij de poelier afgeleverd. De vangsten en eventuele ringgegevens worden in het kooi- of ringboekje opgeschreven. Overigens wordt er soms ook zonder kooihond gevangen.
Eigendom, gebruik en beheerssituatie
Vanuit de eigendomssituatie, de functie en het gebruik van eendenkooien zijn vangkooien en selectieve vangkooien te onderscheiden.
De vangkooien, ook wel bedrijfskooien genoemd, zijn van particuliere kooikers die nog wel vangen, maar waarvoor de eendenkooi niet (of niet meer) als hoofdberoep van belang is. De belangrijkste motieven voor de instandhouding zijn de traditie (het voortzetten van het bedrijf van vader op zoon) en het recreatieve aspect (hobby of jachtsport). Desondanks dient het kooibedrijf voor een aantal kooikers gezien te worden als bedrijfseconomische (neven-)activiteit.
De selectieve vangkooien zijn voor het grootste deel in eigendom van de natuurbescherming. In deze kooien wordt niet of beperkt gevangen. Als er wordt gevangen dan wordt dit beperkt tot bastaard-eenden (bonten en miskleurigen) of wilde eend (voornamelijk woerd en inlandse eenden).
Enkele van deze selectieve vangkooien zijn in gebruik als ringstation ( Korverskooi en Bakkerswaal). Hier worden voor wetenschappelijk onderzoek vogels geringd. Momenteel wordt dit alleen nog gedaan met de wintertaling, zomertaling, slobeend, pijlstaart, en smient en in enkele gevallen met de wilde eend. Op deze wijze worden gegevens verzameld over leeftijd, migratie, doodsoorzaken, ligging van broedgebieden en winterkwartieren. Dergelijke kennis vormt mede de basis voor bescherminsmaatregelen voor vogels en natuurgebieden.
Vangperiode en vangst
De periode waarin een eendenkooi de meeste eenden vangt, is bepalend voor het onderscheid tussen zomerkooi en winterkooi. Wordt voor 1 november het merendeel van de vangst binnengehaald, dan spreekt men over zomerkooien. Er wordt dan vooral wilde eend gevangen die in ons land is uitgebroed. Bij winterkooien wordt vooral na 1 november gevangen. Men richt zich hierbij op de trekeenden.
Eendenkooien worden op basis van de samenstelling van de vangst onderverdeeld in: eendenkooien en blauwgoed-kooien. Bestaat meer dan 50% van de vangst uit gewone wilde eenden dan spreekt men over eendenkooien. Als de vangst voor meer dan de helft uit eendensoorten, als smient, taling, slobeend, pijlstaart en dergelijke bestaat dan spreekt men over een blauwgoedkooi.
