Duinen tussen De Koog en Den Hoorn | ![]() |

Tussen De Koog en Den Hoorn liggen wat oudere, kalkarme duinen. Van noord naar zuid zijn dat de Seetingsnollen, het Duinpark, de Bleekersvallei, de Westerduinen en de Bollekamer. De bodem van de valleien is hier en daar met duingrasland bedekt. Andere delen zijn begroeid met heide. Er komen veel vlinders voor. In de Westerduinen is een grote meeuwenkolonie. Het gebied wordt ontwaterd door de Moksloot.
Kalkarme duinen
De duinen tussen De Koog en Den Hoorn zijn oud. Het gebied heeft al een aantal eeuwen een min of meer constante vorm. Er zijn veel paraboolduinen en de valleien zijn door de wind uitgeblazen. De valleien in de Westerduinen zijn in het algemeen groter dan bijvoorbeeld in de Seetingsnollen nabij De Koog.
Kalk is een belangrijk mineraal in het duinzand. De duinen ten noorden van Bergen in Noord-Holland zijn kalkarm. Dit is te zien aan de specifieke vegetatie, waarin duinroosje en struikheide opvallende soorten zijn. Duindoorn ontbreekt van nature juist in dit gebied. In dit kalkarme gebied is het Texelse duingebied relatief kalkrijk. Doordat de duinen tussen De Koog en Den Hoorn oud zijn, is veel kalk door de regenval in de grond verdwenen. Ook de zon en de wind hebben invloed op dit uitlogingsproces. Omdat van het Texelse duingebied deze duinen het oudst zijn, zijn ze dus ook het meest kalkarm.
Seetingsnollen

De Seetingsnollen is het duingebied tussen de strandpalen 17 en 21 en grenst aan de Nederlanden. Het noordelijke deel bestaat uit een grote camping: Kogerstrand. In het gebied ligt een van de hoogste duinen van Texel: bijna 25 meter hoog. Aan de oostkant zijn de duinen begroeid met dennenbos. In de twee langgerekte valleien op camping Kogerstrand zijn uitgebreide duindoorn- vlierstruwelen te vinden. Deze valleien zijn dan ook nog relatief jong.
Duinpark

Het duingebied ten zuiden van Ecomare wordt het Duinpark genoemd. Het werd ingesteld in 1960 en is een instructiepark. Het moest dienen voor scholenwerk en andere educatieve activiteiten. Het oude natuurhistorische museum uit de Dennen kreeg er ook een plaats. Het groeide uit tot Ecomare, centrum voor wadden en Noordzee.
Het park is opgedragen aan de natuurvorser Jac. P. Thijsse. Texelbezoekers maken hier op een leuke manier kennis met het fenomeen duinen. Alle paden lopen van en naar Ecomare en er staan bordjes langs met natuurinformatie. In het gebied zijn twee uitkijkpunten gemaakt.
Van daar uit heeft men er een prachtig uitzicht over het gebied, van het strand tot aan het bos toe. De opbouw van de vegetatie van het duin is goed te zien: in de zeeduinen helm, gevolgd door struiken als braam, vlier en kruipwilg. Daarachter zijn de duinen begroeid met duinroosjes. In de oudere duinen groeien heidesoorten. Het landschap wordt verlevendigd door kleine bosjes van wilg, meidoorn en berk.
In het Duinpark bij Ecomare komen als echte bijzonderheden vier soorten aardsterren voor, de keverorchis, het rond wintergroen, de driedistel en de mierenleeuw.

Heide in het duinpark
Bleekersvallei, het begin van de Moksloot

Tussen het Duinpark en Westerslag ligt de Bleekersvallei. Het is een ruime vallei met duingrasland en duinheide. De naam herinnert aan twee blekerijen die in 1775 en 1776 zijn opgeheven. Het op Texel zelf gemaakte linnen werd op die plaats gebleekt, omdat het een van de weinige plaatsen op Texel was met helder en geheel zoet water. De archeologische vondsten die bij opgravingen zijn gevonden, worden tentoongesteld in het Agrarisch en Wagenmuseum in De Waal op Texel.
In de Bleekersvallei begint de Moksloot. Die is in 1880 aangelegd om het duingebied te ontwateren. Men wilde er landbouwgrond van maken. Vele valleien in de duinen waren voor die tijd drassig of stonden onder water. De Moksloot loopt van de Bleekersvallei, via het Binnenvlak, Nattevlak, Noordvlak, Grote Vlak en Pompevlak naar de Mokbaai.
Door de ontwatering nam de soortenrijkdom aan planten sterk af. Ook de bemesting, eerst van natuurlijke mest en later van kunstmeststoffen, zorgde hiervoor.
In 1935 heeft Staatsbosbeheer de oude situatie proberen te herstellen door de aanleg van een zevental dammen in de Moksloot. Het resultaat was mager. Later heeft men de afdamming weer teniet gedaan. Door de kustafslag, polderpeilverlaging, drinkwaterwinning en de aanleg van de Dennen was de grondwaterstand tot 1993 zeker 1 tot 1,5 meter lager dan in het begin van de 20e eeuw.
Moksloot

Op Texel werd geruime tijd water uit de Moksloot (aan de zuidkant van het eiland) gebruikt voor de drinkwatervoorziening. Dat water stroomde anders toch weg naar zee. Het waterpeil in de Moksloot kon ook zo gereguleerd worden dat in de winter en het voorjaar kon worden gestuwd en voor gebruik in de zomer gereserveerd.
Staatsbosbeheer stemde in met de winning voor 50 jaar met een maximale jaarlijkse onttrekking van 500.000 kubieke meter water. Al na enkele jaren bleek echter veel meer vraag naar water te bestaan. In 1988 is daarom een drinkwaterleiding aangelegd tussen Den Helder en Oudeschild. De drinkwatervoorziening werd voortaan de taak van het pompstation Bergen, dat daarbij gebruik maakt van infiltratiewater uit Castricum, onder bijmenging van een geringe hoeveelheid duinwater. Dat voorgezuiverde infiltratiewater is weer afkomstig uit IJsselmeer of Rijn.

De waterwinning in de Moksloot is in 1993 gestopt. Als gevolg verwachtte men dat de grondwaterstand zeker 60 centimeter zou gaan stijgen. In aanvulling daarop heeft Staatsbosbeheer, ook in 1993, in grote delen van de Vlakken de humeuze en verruigde toplaag laten verwijderen. Het doel hiervan was om de vegetatie van de voedselarme duinvalleien weer een kans te geven.
De meeuwenkolonie van de Westerduinen
Tussen de Westerslag en de Jan Aijeslag ligt de meeuwenkolonie van de Westerduinen. Het gebied wordt bewaakt door Staatsbosbeheer. Vanaf de Kampeersnol, het hoge uitkijkpunt aan de Westerslag, valt het gebied goed te bekijken.
In de meeuwenkolonie leven voornamelijk zilvermeeuwen. De vogels komen omstreeks februari in het gebied aan. De eerste eieren worden pas begin mei gelegd. De vogels verlaten in juli met hun jongen de kolonie.
Er zijn broedgevallen bekend uit de nabijgelegen Dennen. Mogelijk wordt hier tegenwoordig gebroedt om de intensieve bestrijdingscampagnes te ontwijken, die in de kolonie van de Westerduinen werden uitgevoerd. De zilvermeeuwen broedden in de Dennen in open opstanden van zwarte dennen zonder onderbegroeiing.
De Bollekamer
Tussen Jan Aijeslag en Hoornderslag ligt de Bollekamer. Brede valleien met een kenmerkende duinheidebegroeiing kenmerken het gebied.

In de Bollekamer komen op enkele plaatsen zonnedauw en klokjesgentiaan voor. In sommige jaren wordt ook het moerasviooltje aangetroffen. Enkele delen van de oude heide zijn afgeplagd. Ook enkele verruigde duinvalleien zijn afgegraven in het kader van het Mokslootproject. Dit gebeurde na beëindiging van de drinkwaterwinning in 1993. Door de verhoging van het grondwater en het afdammen van de Moksloot is in deze valleien een natte, voedselarme situatie ontstaan.

Sinds 1994 worden de Bollekamer en een deel van de Geul begraasd door Schotse Hooglanders en Exmoor pony's.
Heide in de duinen

In de duinen staan enkele soorten heide. Struikheide komt het meest voor. Deze plant bloeit van juli tot september en wordt door veel insecten, zoalshoningbijen bezocht. Heidehoning is door zijn speciale smaak een gewild natuurproduct. Struikheide sterft na een tiental jaren af en is vorstgevoelig. Op de open plekken krijgen mossen en korstmossen een kans. Kraaiheide is compacter dan struikheide. Het bloeit al in het vroege voorjaar met onopvallende bloempjes. Bij kraaiheide wordt het stuifmeel door de wind verspreid. De plant vormt bessen, die in de zomer vaak gegeten worden door vogels als wulpen, spreeuwen en duiven. De derde heidesoort is meer gebonden aan wat vochtiger plekjes. Het is de dopheide. De zachtroze getinte bloemen hangen bij elkaar. Hommels kunnen de nectar opzuigen door met hun kaken een gaatje te maken in de bloem. Hun tong is te kort om de nectar rechtstreeks uit de dopheidebloemetjes op te zuigen.
Vlinderrijke duinen
De duinen zijn bijzonder vlinderrijk. De rijkdom aan vlinders houdt verband met de grote variatie van levensgemeenschappen in het duingebied.
De duingraslanden worden o.a. benut door de dikkopjes, bruin zandoogje, het icarusblauwtje, het bruin blauwtje, het hooibeestje, de argusvlinder, de kleine vuurvlinder en de jacobsvlinder. De opvallende rupsen van de laatste soort zijn te vinden op het jakobskruiskruid. Ook kunnen verschillende soorten parelmoervlinders worden aangetroffen. De parelmoervlinders zijn gebonden aan duinen met het duinviooltje. De grote parelmoervlinder heeft op Texel de grootste populaties en is verder zeldzaam. Ook de duinparelmoervlinder komt voor.
In de duinheide worden heideblauwtjes en heidevlinders aangetroffen. Heidevlinders komen zelfs in de helmduinen voor.
De vlinderstand in de duinen is in tegenstelling tot andere landschappen weinig achteruitgegaan. Toch zijn er veranderingen. Dit heeft te maken met het wegvallen van het kleinschalige beheer, waardoor struwelen zich sterk hebben uitgebreid.
Bron: de Vleet, Ecomare
