Home

Zoeken

Zoek in 6490 artikelen


    De Dennen

    De Dennen, Texel - Foto van Sytske Dijksen -

    De Dennen is het bosgebied tussen De Koog en Den Hoorn. Het is in het begin van de 20e eeuw aangeplant op de binnenrand van de duinen en op de zogenaamde mientgronden. Op de Fonteinsnol ontsprong vroeger een duinbeek. Door kunstmatige ingrepen (het plan Tureluur) probeert men de Dennen een gevarieerder aanzien te geven. Het bosbeheer is gewijzigd van houtproductie naar het streven naar een gevarieerd, natuurlijker bos. Ook de recreatie heeft een duidelijke plaats gekregen.

    De aanplant van de Dennen

    Vanaf ongeveer 1700 begon men zich in Nederland ongerust te maken over de slechte toestand van het duingebied. De duinen waren dikwijls slecht begroeid, waardoor de wind gemakkelijk vat kreeg op het fijne zand. Er zijn in die tijd heel wat huizen en landbouwgrondjes bedolven onder landinwaarts stuivend zand. Het voormalige dorp De Westen is bijvoorbeeld door het stuivende zand verdwenen.

    Het aanplanten van bos was een oplossing voor dit probleem. Zo zijn er in die jaren heel wat proeven genomen, met allerlei boomsoorten. Het heeft echter tot ongeveer 1860 geduurd, voor men geschikte soorten gevonden had: de Oostenrijkse en Corsicaanse den, allebei rassen van de zwarte den.

    In 1898 begon men op Texel met de aanplant van bomen. Uitgangspunt was om de woeste gronden rendabel te maken. Alleen had het nog heel wat voeten in aarde voor het bos ook werkelijk aangeplant kon worden. De duingrond moest eerst losgemaakt worden. Dat was zwaar werk, de grond werd "drie steken diep" omgespit, met de spade. Het was moeilijk om mensen voor dit werk te krijgen. Niet alleen omdat het zwaar werk was, maar ook omdat Staatsbosbeheer slecht betaalde. Bij de boer was meer te verdienen. Uiteindelijk zette men de ossenploeg in. Die kwam wel niet zo diep als een arbeider met een schep, maar het ging een stuk sneller, en kostte veel minder mankracht.

    Aanplant van de Dennen met behulp van ossenploegen, ergens tussen 1910 en 1930. - Foto historisch archief Ecomare

    Later werden er mensen naar Texel gehaald om in de bosbouw te werken. In 1918 bijvoorbeeld, werd er een perceel aan de zuidkant van De Dennen ingeplant door Belgen, die vanwege de Eerste Wereldoorlog waren uitgeweken naar Texel. De naam herinnert er nog aan: Het Belzenbos.

    Dat indertijd werd gekozen voor het beplanten van de duinen met naaldbomen is niet zo vreemd. Het grondwater in de duinen zit vaak diep. Loofhout sloeg daardoor niet aan. Het heeft bovendien een meer voedselrijke en humeuze bodem nodig. Voor de jonge aanplant had men wel een oplossing: In het gat waar de jonge boom ingezet werd, deed men wat natte turven. Zo werd er bij de jonge boom een watervoorraad ingegraven. 's Winters, als er veel vocht in de grond zat, zogen de turven zich vol. Het boompje maakte in de zomer daar gebruik van. Het stuk bos dat op deze manier aangeplant werd heet nu het Turfveld.

    Windsingels

    Windsingel - tekening uit archief Ecomare -

    De enige oplossing om het inwaaien van de zeewind tegen te gaan en de dennen gezond te houden, was de aanleg van een windbeschutting aan de zuidwestelijke- en noordwestelijke bosranden. Uit die windrichtingen komt de heersende, zoute zeewind. Voor de aanleg van die windsingels is men uiteindelijk toch weer teruggevallen op de loofboompjes die van nature in het kustgebied voorkomen.

    De bosbouwers hebben daarbij dankbaar gebruik gemaakt van de ervaringen die al eerder bij de aanleg van eendenkooien en de boerengeriefhoutbosjes waren opgedaan. Die bosjes waren vaak al meer dan 100 jaar oud en deden het, hoewel ze niet al te deskundig werden behandeld, altijd erg goed. Er werd vooral gebruik gemaakt van meidoorn, els, esdoorn, lijsterbes en berk. Dicht bij zee, en op de wind, groeien deze soorten niet zo snel, maar ze hebben niet zo'n star groeipatroon als het naaldhout. Bovendien laten loofbomen zich onder invloed van de overheersende westenwinden vervormen tot een gesloten, glooiend oplopend geheel. Door deze stroomlijnvorm wordt de wind afgebogen en heeft weinig vat meer op de boomsingels en het achterliggende bos.

    Dankzij deze windsingels bleven de dennenbomen op Texel uiteindelijk redelijk gezond. Een deel van de Corsicaanse dennen deed het boven verwachting zelfs zó goed dat er jaarlijks zaad van gewonnen werd om mee verder te kweken.

    Mientgronden

    't Mientje, Texel - Foto uit het archief van Ecomare -

    Op Texel werden vooral de 'mientgronden' en de binnenduinrichels met naaldhout beplant. Mientgronden waren de met hei begroeide woeste gronden. De naam mient komt van 'meent'. Meentgronden waren het hele jaar, of een groot deel van het jaar voor algemeen gebruik. Iedereen mocht er z'n vee weiden. Overigens was dat niet altijd een succes. De schapen hadden veel last van leverbot, een platworm die de lever vernielt. Ze stierven door inwendige bloedingen.

    De laagst gelegen mientgronden ontvingen water uit de beek van de Fonteinsnol en ook uit de omringende duinen. Daardoor was sprake van een drassig landschap: half heide en half moeras. Er kwamen bijzonderheden voor als de witte nachtorchis, moeraswespenorchis, duizendguldenkruid en klokjesgentiaan. Door de ontginningen verdween deze speciale vegetatie.

    Mientboerrinnetje - Foto van Sytske Dijksen -

    Bijna niemand wilde op de mientgronden wonen. Slechts de allerarmsten leidden er hun schamel bestaan. Zij leefden er in eenvoudige boerderijtjes of plaggenhutten, die ze bouwden van graszoden en juthout.

    Bij de bebossing van de mientgronden werden de waardevolle, laag gelegen, vochtige delen bestemd voor de aanleg van graslandjes. Later zouden deze ontgonnen worden tot weilanden. Het gevolg is dat het bos op vele plaatsen door graslandjes wordt onderbroken. Ze zijn nu weer grotendeels aan het agrarisch beheer onttrokken en beheerd met het oog op het vergroten van de natuurwaarden. Langs de randen van die weilanden zijn ook fraaie windsingels te zien.

    Alloo

    Het Alloo - Foto van Sytske Dijksen -

    Het Alloo, langs de Ruyslaan, was oorspronkelijk een duinmeer omgeven door vochtige mientgronden. Het is een opmerkelijke vlakte in het Texelse duingebied. Dat komt omdat in de Middeleeuwen op deze plek het toenmalige eiland Ganc tijdelijk in tweeën werd gebroken. Het zeegat tussen de twee delen van Ganc is later weer verzand, maar de slufterachtige vlakte is in het landschap achtergebleven in de vorm van het Alloo.

    Door ontwatering heeft men in 1880 de vlakte omgevormd tot weidegrond. Later is het gebied uit de pacht genomen en in beheer van Staatsbosbeheer gekomen. Er werd geen kunstmest meer gestrooid. De weidevogelstand nam toen toe. Ook de vegetatie kon aan waarde winnen. Inmiddels vindt nabegrazing met paarden plaats, waardoor het gras in het voorjaar erg kort is. Dit kan hebben bijgedragen aan de huidige afname van de weidvogelstand.

    Staatsbosbeheer begon in de zomer van 1998 een natuurontwikkelingsproject om het gebied weer terug te brengen naar een meer oorspronkelijke staat. Er werd een meertje met natuurvriendelijke oevers aangelegd. Op de oorspronkelijke plaats van het meer ligt nu een moeras met zeldzame planten als waterdrieblad en wateraardbei. Bovendien broeden er moerasvogels. Het nieuwe meertje ligt vlak naast dit moeras, op de plek waar vroeger ook open water was.

    Binnen het gebied zal meer aandacht besteed worden aan overgangen tussen nat en droog. De waterstanden worden op een constant, vrij hoog peil gehouden, maar er wordt wel voor gezorgd dat het regenwater niet te lang op het land blijft staan. Regenwater heeft een verzurend effect. Als regenwater langere tijd op het land blijft staan is er in het daaropvolgende jaar massale bloei van de (witte) veenpluizen tussen de gevlekte orchissen te zien. Dit is wel een mooi gezicht, maar het is ook een teken dat planten die niet van zuur houden zullen gaan verdwijnen.

    De duinrel in het Alloo is voorzien van natuurvriendelijke glooiende oevers. Met z'n 2 kilometer is deze duinrel de langste van Nederland. In de zomer van 2000 is het natuurontwikkelingsproject voltooid.

    Het Mientje

    Het Mientje - Foto van Sytske Dijksen

    Het Mientje, het heideveldje in de Dennen even ten zuiden van de Californiëweg, geeft een beeld van de oorspronkelijke staat van de mientgronden voordat ze bebost werden. Hierom, en omdat er bijzondere insecten leven die gebaat zijn bij open heidevelden, voorkomt Staatsbosbeheer dat de heide wordt overwoekerd door berken.

    Fonteinsnol

    De Fonteinsnol was voor de bebossing een bijzonder duin. Op de noordoostelijke helling van het hoge duin bevond zich een bron, waar het duinwater uit opwelde en een beek vormde. De beek vertakte zich en bevloeide het gehele gebied van de mient.

    De bron en de beek van de Fonteinsnol werden in het kader van de bebossing geslecht en het gebied werd zoveel mogelijk ontwaterd ten behoeve van de aanplant van de zwarte dennen.

    Niet ver van de plaats waar vroeger de bron was staat nu een uitzichttoren. Vanaf deze toren heeft men een goed uitzicht over het bosgebied en grote delen van Texel.

    Natuurbos

    Californiëbos, Texel - Foto Sytske Dijksen, Ecomare

    Eenzijdig cultuurbos is moeilijk in stand te houden. In dennenplantages op zandgrond worden de afgevallen naalden maar heel erg langzaam afgebroken Zo ontstaat geen humusrijke bodem die het vocht goed vast kan houden. Men ontdekte dat eikenblad gemengd met dennennaalden een prettige omgeving is voor veel bodemdieren. Die bodemdieren verteren de plantenresten en vormen zo humus.

    In het Texelse dennenbos zijn daarom veel dennen weer gekapt. Eikenboompjes werden aangeplant op de open plekken. Berk en lijsterbes verschenen spontaan. Het bos kreeg daardoor een heel ander aanzien. Het productiebos, oorspronkelijk aangeplant voor mijnbouw en papierindustrie, veranderde steeds meer in een gemengd bos met een gezonde humuslaag.

    Zeldzame paddenstoelen

    Narcisamaniet, Amanita gemmata, Gemmed amanita, Narzissengelber Wulstling - Photo: Sytske Dijksen -

    In de Dennen zijn, speciaal op voedselarme plekken, zeldzame paddenstoelen te vinden. Bij een inventarisatie in 1996 kwam men tot de volgende lijst van zeldzame of bedreigde soorten: narcisamaniet, koperrode spijkerzwam, kruidige melkzwam, okerkleurige vezeltruffel, duivelsbroodrussula, appelrussula, koeienboleet, valse melkboleet, bruine ringboleet en bittere boleet. Ooit is er ook een geschubde stekelzwam gevonden, en in 1997 de grote sponszwam.

    Recreatiebos

    Op Texel is het beheer er sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw op gericht om van het bos meer een recreatiebos te maken. De functie van productiebos en natuurbos is daarmee op het tweede plan gekomen. Er zijn overal voorzieningen gemaakt voor de recreatie: een uitkijktoren, speelweiden en barbecueplaatsen, een trimbaan, en natuur-, wandel-, ruiter-, en fietspaden.

    Bron: de Vleet, Ecomare