Bergeend | ![]() |

In Nederland zitten de bergeenden vooral rond de Waddenzee, waar ze wadslakjes, schaaldiertjes, insecten, visjes en wormen eten. Ze leven echter ook in zoetwatergebieden. Na het broedseizoen trekken ze naar speciale ruiplaasten in de Duitse Bocht en op het Balgzand in de Waddenzee. In het waddengebied overwinteren gemiddeld zo'n 35.000 bergeenden. Bergeenden broeden in goed verscholen holen en gaten, bijvoorbeeld verlaten konijnenholen in de duinen. Omdat de nestplaats goed verstopt zit, kan ook het vrouwtje zich een opvallend verenkleed veroorloven.
De eenden doen er alles aan om de nestplaats geheim te houden. Wanneer ze naar het nest vliegen, vliegen ze achter elkaar. Het vrouwtje laat zich plotseling uit de lucht vallen en landt vlak bij het hol. Ook het baltsen gebeurt ver van het nest.
Als de kuikens uitgekomen zijn, moeten deze meteen naar het water. Soms is dit een tocht van enkele kilometers waarbij meeuwen en andere rovers het op de kuikens voorzien hebben. Soms haalt slechts één kuiken uit een nest de waterkant. De kuikens kunnen al na een week zelfstandig overleven.
In augustus bevinden zowel de Noord- als de Midden-Europese populatie van de bergeend, in totaal zo'n 200.000 dieren, zich in de Duitse Bocht om te ruien. De eenden kunnen na de rui 4 weken slecht vliegen.
Vanaf 1980 worden ook groepen ruiende bergeenden gevonden in de Nederlandse Waddenzee en deltawateren. Het Balgzand telde rond 1990 30.000 ruiende eenden, maar dat aantal is nu gedaald naar 5000-8000. Veel eenden zijn voor het ruien verhuisd naar de wadden tussen Terschelling en Harlingen en ten zuiden van Ameland, waar in 2007 23.000 bergeenden van verenpak wisselden.
Namen:
Ned: Bergeend
Eng: Common Shelduck
Fra: Tadorne de Belon
Dui: Brandgans (Brandente)
Dan: Gravand
Nor: Fagergis (Gravand)
Fries: Berchein
Ital: Volpoca
Lat: Tadorna tadorna
Bron: de Vleet, Ecomare
