Home

Zoeken

Zoek in 6490 artikelen


    Begrazen

    Schotse hooglanders - Foto van Sytske Dijksen, © Foto Fitis: - www.fotofitis.nl

    Er zijn heel veel verschillende soorten dieren die grazen. Deze dieren kunnen groot zijn, zoals koeien en schapen, maar ook klein, zoals ganzen, konijnen en insecten. Heel vroeger graasden in Nederland allerlei wilde grote zoogdieren zoals oerossen, wilde paarden, elanden en edelherten. Om de landschappen van toen weer terug te krijgen worden tegenwoordig soortgenoten van deze wilde dieren in natuurgebieden ingezet.

    Verschil begrazen/maaien - Tekening van Marike van der Paauw en Gerbrand Gaaff, Ecomare

    Matige begrazing leidt tot meer variatie in een natuurterrein (variatie in soorten planten, soorten dieren, structuur en successiefasen) en voorkomt het ontstaan van bos. Begrazen verschilt van maaien doordat grazers niet overal even intensief grazen. Ook hebben de grazers door betreding en door de mest die zij laten vallen invloed op de variatie in een natuurgebied.

    Deze positieve effecten treden alleen op als de begrazing niet te intensief is. Bij overbegrazing van het gebied, of van een deel van het gebied omdat dit voor de grazer het aantrekkelijkst is, neemt de biodiversiteit juist af. In broedgebieden kan het nodig zijn om ruim voor het begin van het broedseizoen de begrazing te stoppen. Het gras kan dan hoog genoeg worden om bijvoorbeeld grutto's en andere weidevogels voldoende dekking te bieden.

    Begrazing heeft zowel uitgesproken voor- als tegenstanders. Wat enkele tientallen jaren geleden nog 'goed beheer' leek te zijn, laat nu, op langere termijn, toch veel nadelen zien. Er blijkt snel sprake van overbegrazing te zijn, waarbij de druk op andere organismen te groot wordt. Bovendien is begrazing moeilijk in de hand te houden omdat kuddes nu eenmaal van nature steeds groter worden. In 2007 blijkt uit een voorlopige inventarisatie van Staatsbosbeheer dat in het begraasde deel van de Oostvaardersplassen vrijwel alle vogelsoorten afgenomen zijn. Zeldzame soorten van ruigten en bossen zijn zelfs geheel verdwenen. Tussen 1997 en 2007 zijn 21 van de 91 broedvogelsoorten verdwenen. In 2008 stelde Staatsbosbeheer zich op het standpunt dat dit een logisch gevolg is van de keus voor grote grazers en grauwe ganzen en daarom aanvaard moet worden.

    Op de voedselrijkdom van een gebied heeft begrazen grofweg twee effecten. De voedingsstoffen fosfaat en kalium blijven in het systeem, op een zeer kleine fractie na die in de vorm van vlees wordt afgevoerd. Pleksgewijs ontstaan voedselarme plekken (waar veel gegraasd wordt) en voedselrijke plekken (waar veel mest valt). Stikstof kan wel uit het systeem ontsnappen in de vorm van ammoniakdamp uit de urineplekken.

    Welke grazers?

    Verschillen tussen begrazing van runderen en paarden - Tekening van Gerbrand Gaaff, Ecomare

    Grazers die in het natuurbeheer gebruikt worden zijn: runderen, paarden en pony's, schapen, geiten en edelherten. Welke grazer er wordt ingezet hangt af van de plaatselijke omstandigheden, zoals de grootte, de begroeiing en de vochtigheid van een natuurgebied. Vaak worden combinaties van grazers ingezet, zoals runderen met schapen, omdat schapen een ander soort vegetatie vreten dan runderen. Paarden houden bijvoorbeeld het gras en de kruiden kort terwijl er bij runderen ruigtes kunnen ontstaan omdat zij niet van de lange stengels van grassen en van houtachtige kruiden en struiken houden.

    De soorten die voor de begrazing van natuurgebieden gebruikt worden zijn niet altijd dezelfde als de soorten die bij veeteelt gebruikt worden, want de omstandigheden in natuurgebieden zijn vaak heel anders dan in weilanden. Grazers in natuurgebieden moeten bijvoorbeeld goed tegen allerlei weersomstandigheden kunnen en een sobere voedselbehoefte hebben.

    In sommige gevallen gebruikt men zeldzame veerassen bij het natuurbeheer. Deze rassen worden op deze manier beschermd tegen uitsterven.

    Konijnen handhaven heide

    In de Amsterdamse Waterleidingduinen is een proef gedaan met het inrasteren van heide. De ingerasterde heide kon daardoor niet meer begraasd worden door met name konijnen. In de eerste jaren na het inrasteren groeide de heide enorm. Maar de hogere heidestruiken bleken gevoeliger voor vorst. Tijdens een hele strenge winter bevroren grote delen van de ingerasterde heide. Hierdoor kregen grassen opeens de kans om de hei te overgroeien. De heide bleek door de (natuurlijke) begrazing in stand te worden gehouden.

    Weblinks

    Kaart van begraasde natuurterreinen in Nederland:
    http://www.synbiosys.alterra.nl/begrazing/terreinen.htm

    Overzicht van het voedsel van grote grazers:
    http://www.wnf.nl/wnf/website/index.cfm/id=8494B292-2101-4DBF-B48775F8F3

    Bron: de Vleet, Ecomare