Alk | ![]() |

De alk lijkt qua uiterlijk veel op de zeekoet, maar onderscheidt zich door een dikkere snavel met daarop een fijn wit streepje. Alken broeden vooral op de Schotse kusten en de Orkney- en Shetland-eilanden, totaal zo'n 73.000 alkenparen. Na de broedtijd trekken de alken naar het zuiden tot in de zuidelijke Noordzee. Enkele exemplaren gaan nog verder, tot de kust van Marokko en het westelijk deel van de Middellandse Zee.

Net als bij de zeekoet springen de jongen van alken nog voordat ze kunnen vliegen in zee. Het ei wordt dan ook op de richels van overhangende rotsen uitgebroed, zodat de jongen bij hun sprong in het onbekende niet op de rotsen terecht komen.
Verspreiding van de alk in het Noordzeegebied

De eerste alken komen in september in het Nederlandse deel van de Noordzee. In oktober begint de trek goed op gang te komen. De meeste overwinterende alken komen van de Britse kust, maar er komen ook exemplaren uit IJsland. In de winter komen ongeveer 22.000 alken voor op het Nederlandse deel van de Noordzee. Dit is ongeveer 1% van de totale populatie alken. Daarmee zou het gebied onder de Ramsar-conventie kunnen vallen.
Namen:
Ned: Alk
Eng: Razorbill
Fra: Petit pingouin
Dui: Tordalk
Dan: Alk
Nor: Alke
Fries: Alk
Ital: Gazzamarina
Lat: Alca torda
Bron: de Vleet, Ecomare
