Home

De bouw van een tweekleppige

Tweekleppigen hebben een uit twee losse kleppen samengestelde schelp. De kleppen zijn door middel van†een scharnier (of slot) in de topdelen van de schelp†met elkaar verbonden. Bij de meeste soorten zien beide kleppen er min of meer hetzelfde uit.

Scharnier

Het scharnier (ook wel slot genoemd) laat beweging toe waardoor de kleppen open en dicht kunnen. De bouw van het scharnier is bij elke soort anders. De meeste schelpen hebben een heterodont slot. Bij dit type slot is het†klepscharnier opgebouwd uit verschillend gevormde tanden.

Heterodont slot

Tanden

Voor de scharnierwerking zijn de grote tanden die in het midden van de schelp net onder de top liggen het†belangrijkst. Deze zogenaamde cardinale tanden vormen het belangrijkste draaipunt van de kleppen en hier komt ook de meeste kracht op te staan. Aan de zijkant van de top bevinden zich langgerekte laterale tanden: ook†deze†hebben een scharnierende functie. Een ander type is het taxodont slot. Hier is geen opvallend onderscheid te zien in de vorm van de tanden.

Ligament

Om de kleppen bij elkaar† te houden hebben veel soorten tweekleppigen ook een band (ligament) van hoornstof. Als het ligament sterk is blijven de kleppen aan elkaar vast zitten nadat het organisme gestorven is. Op het strand vind je dan de twee helften samen, een zogenaamd doublet.

Opvallende kenmerken aan de buitenkant van†de schelp

  • Kleur
    Voor de soortbepaling is kleur geen betrouwbaar kenmerk. Binnen een soort komen namelijk individuele kleurvariaties voor. Ook verandert de kleur van de schelp naarmate het organisme ouder wordt. Schelpen kunnen ook van kleur veranderen als ze na de dood van het organisme lange tijd in zee liggen: sommige schelpen worden donker, andere juist wit.


  • Groeilijnen en ribben
    Groeilijnen zijn lijnen die evenwijdig aan de schelprand lopen. Het zijn hele dunne lijntjes die niet altijd voelbaar zijn. In de winter groeit een schelp minder snel dan in de zomer, waardoor er smalle en brede groeibanden te zien zijn.
  • Veel duidelijker zijn de concentrische ribben die sommige soorten hebben. Deze lopen evenwijdig aan de groeilijnen, maar zijn veel dikker. Een kleine groep schelpen heeft ook axiale ribben. Deze lopen van de top naar de rand.

Opvallende kenmerken aan de binnenkant van de schelp

  • Spierindruksels
    Aan de binnenzijde van de schelp zijn vaak ťťn of twee ronde tot ovale vlakjes (spierindruksels) te zien. Op deze plaatsen zijn bij het levende dier de sluitspieren vastgehecht waarmee het de†kleppen sluit.


  • Mantellijn en mantelbocht
    Als er twee spierindruksels aanwezig zijn, is er vaak een verbindingslijntje tussen beide te zien. Deze zogenaamde mantellijn geeft de plaats aan waar zich de mantel bevond, een deel van de lichaamswand van het organisme.
    De mantellijn maakt vaak een duidelijke bocht: de mantelbocht.†De kant van de mantelbocht is de achterzijde van de schelp. Dit is belangrijk om te weten als†men de schelp op wil meten. Op deze plek hebben de sipho's van het dier gezeten.
    De vorm van de mantellijn en de mantelbocht is bij iedere soort verschillend. Dit kenmerk kan soms gebruikt worden om een soort te herkennen.
    Aan de mantelbocht is ook te zien of men met een linker- of rechterklep te maken heeft.

  • Zit de mantelbocht links dan heeft men een linkerklep in handen, zit de bocht rechts dan is het een rechterklep. Soms is de mantelbocht niet goed waarneembaar. Dan kan men aan de buitenkant van de schelp controleren naar welke kant de top wijst. Als de top naar links is gebogen,†heeft men te maken met een†linkerklep. Wijst de top naar rechts dan is het een rechterklep.