Evolutie van de mammoet |
![]() |
Mammoetskelet in Naturalis |
Slurfdragers
Slurfdragers (Proboscidea) zijn in het Vroeg-Tertiair (50 miljoen jaar geleden) ontstaan uit de voor-hoefdieren. De oudste fossiele resten stammen uit het Eoceen en zijn gevonden in Noord-Afrika. Oerslurfdragers waren dieren die ongeveer even groot waren als een dwergnijlpaard of een tapir. Ze hadden nog geen slurf maar hadden wel al vergrote snijtanden. De eerste slurfdragers worden Moeritherium genoemd. Sommige wetenschappers zien Moeritherium echter als een zijtak, waarvan de vertegenwoordigers mogelijk meer verwant zijn aan zeekoeien.
30 miljoen jaar geleden ontstonden er grotere slurfdragers. De snijtanden van deze soorten hadden al meer weg van slagtanden. Ze hadden een kleine slurf en ook de kiezen begonnen meer op die van de mammoet te lijken. 5 miljoen jaar geleden is de familie van de Elephantidae ontstaan, waartoe zowel de huidige olifanten als de mammoeten behoren.
Toch kun je niet zeggen dat de mammoet de voorouder is van de olifant. Olifant en mammoet zijn met elkaar verwant omdat ze een gemeenschappelijke voorouder hebben, maar ze hebben zich langs verschillende lijnen ontwikkeld.
Wolharige mammoet
De mammoeten die in Nederland hebben geleefd, zijn ontstaan uit Mammuthus africanavus. Deze olifantensoort kwam voor in Noord-Afrika, aan het eind van het Tertiair (3-4 miljoen jaar geleden). De zuidelijke mammoet leefde in een tropisch tot subtropisch klimaat. Hij had laagkronige kiezen, geschikt om zacht plantaardig voedsel mee te vermalen. Waarschijnlijk was de zuidelijke mammoet speciaal aan het warme klimaat aangepast, met weinig beharing en met grote oren die snel warmte afstaan aan de buitenlucht en zo het lichaam koelen, net als bij de Afrikaanse olifant van tegenwoordig
Uit Mammuthus africanavus ontwikkelde zich de Zuidelijke mammoet, Mammuthus meridionalis. Deze mammoetsoort leefde in het Vroeg-Pleistoceen (2,3 tot 1 miljoen jaar geleden) in delen van Azië en Europa, waaronder Nederland.
![]() |
Rechter onderkaakskies van de Zuidelijke mammoet, opgevist uit de Oosterschelde |
Uit de Zuidelijke mammoet ontwikkelde zich uiteindelijk een soort met hogere kiezen en meer lamellen. Dieren met hoge kiezen waren in het voordeel, omdat deze kiezen verder konden afslijten en dus langer mee gingen. Door het toenemende aantal lamellen kon het harde plantaardig materiaal bovendien gemakkelijker vermalen worden. De Zuidelijke mammoet ontwikkelde zich geleidelijk tot de Steppemammoet, Mammuthus trogontherii. Deze mammoetsoort leefde in de koude periodes van het Midden-Pleistoceen (van 1 miljoen jaar tot 300.000 jaar geleden), in een open graslandschap. Waarschijnlijk had deze mammoet kleine oren en sterke lichaamsbeharing, vanwege het koudere klimaat.
![]() |
Mammoetkiezen in de collectie van Naturalis |
Aan het eind van het Midden-Pleistoceen, 300.000 jaar geleden, gaat de Steppemammoet over in de Wolharige mammoet, Mammuthus primigenius. In Nederland kwam de Wolharige mammoet voor van 200.000 jaar geleden tot 10.000 jaar geleden. Het klimaat was koud en droog. De mammoet leefde op de zogenaamde mammoetsteppe: een koude, open vlakte die op het hele noordelijk halfrond te vinden was.
De kiezen van de mammoet waren inmiddels nog hoger geworden en het aantal lamellen nam verder toe. Door vondsten van ingevroren kadavers en grottekeningen weten we dat de Wolharige mammoet goed was aangepast aan koude omstandigheden. Om warm te blijven had de Wolharige mammoet kleine oren en een zwaar behaard lichaam.
![]() |
Mammoeten op de mammoetsteppe |
De laatste mammoeten
Zo'n 10.000 jaar geleden werd het klimaat plotseling warmer. De aan de koude aangepaste vegetatie van de mammoetsteppe verdween en daarmee ook de mammoet. Een restpopulatie van de Wolharige mammoet heeft zich tot zo'n 6.000 jaar geleden staande weten te houden in het uiterste oosten van Siberië, op het eiland Wrangel.



