Het ontstaan van grotten |
Gewoon water bevat in de natuur meestal zuren, zoals koolzuur. Door dat zuur kan water kalk oplossen. In kalkhoudend gesteente sijpelt het water door spleetjes van de oppervlakte naar beneden en lost daarbij kalksteen op. Er ontstaan op den duur steeds bredere spleten. Zodra de grondwaterspiegel is bereikt, gaat het water horizontaal stromen. Dikwijls wordt na verloop van tijd een soort hoofdkanaal gevormd, waar het meeste water door stroomt, zodat daar het gesteente het snelst wordt opgelost. Zo ontstaan in de loop der tijd grotten.
Veel grotten hebben verschillende etages als gevolg van verandering in de hoogte van de grondwaterspiegel. Wordt deze lager, dan zoekt het water in de grot eveneens een lager niveau en begint het oplossen van een grot op dat niveau opnieuw.
Andere typen grotten
Een enkele keer komen ook in vulkanische gebieden grotten voor. Die kunnen een gevolg zijn van gedeeltelijke afkoeling van lava, waardoor een 'lavabuis' werd gevormd. Als daar geen lava meer door stroomde, bleef een tunnelvormige ondergrondse holte over. Ook in het ijs van gletsjers kunnen grotten ontstaan door smeltwater en warme wind. Deze laatste zijn echter bijzonder gevaarlijk door plotselinge instortingen en mogelijke overstromingen door smeltwater.
Kleinere en ondiepe grotten kunnen in een droog klimaat ontstaan door de uitschurende werking van zand- en siltdeeltjes die door de wind worden meegevoerd. We vinden ze echter ook aan kusten, waar de branding gesteenten ondermijnt.
Menselijk gebruik
Vanaf prehistorische tijden zijn grotten door mensen gebruikt voor bewoning en rituele handelingen. Bekend zijn de grottekeningen en -schilderingen die vanaf ± 30.000 jaar geleden bewaard zijn gebleven. Archeologen hebben in grotten veel vondsten gedaan van werktuigen die door mensen zijn gebruikt.
Doordat de eerste menselijke fossielen, zoals de Neanderthalers, in grotten werden gevonden, had men aan het eind van de 19de eeuw het idee dat mensen vooral in grotten leefden. Toen de Nederlandse arts Dubois in voormalig Nederlandsch-Indië naar de missing link tussen aap en mens ging zoeken, richtte hij dan ook eerst zijn aandacht op grotten. Weliswaar had hij succes toen hij op Java in de Wadjak grot een Mesolithische schedel vond, maar deze was geologisch gezien te jong om een echte voorouder te zijn. Pas toen hij als eerste ook buiten grotten ging zoeken, vond hij zijn 'missing link', de Pithecanthropus.