De mammoet van Lier |
Verspreiding en leefwijze
Tijdens de laatste ijstijd, 115.000 tot 10.000 jaar geleden, was het klimaat in noordelijk Eurazië en Noord-Amerika kouder en droger dan tegenwoordig. Op de uitgestrekte graslanden en mammoetsteppen leefden veel soorten dieren, waarvan de wolharige mammoet (Mammuthus primigenius) de bekendste is. Deze olifantachtigen waren goed aan de omstandigheden aangepast. De dikke, wollige vacht beschermde de dieren tegen de lage temperatuur en de gure wind. De oren waren klein om zo weinig mogelijk lichaamswarmte af te staan. Mammoeten aten vooral grassen en kruiden en vulden hun dieet aan met bladeren en twijgen van wilgen, elzen en berken, die op vochtige plaatsen groeiden. Ze verorberden ook jonge scheuten van naaldbomen, die verspreid op de mammoetsteppe voorkwamen. Net als de huidige olifanten, leefden mammoeten in kleine familiegroepen. De groepen bestonden uit wijfjes (moeder, dochters, zusters) en jongen, en werden geleid door een ervaren koe - meestal de grootmoeder. De mannetjes (stieren) verlieten hun familiegroep, kort nadat ze geslachtsrijp werden. Ze leefden dan alleen of in gezelschap van andere mannetjes.

De
mammoet van Lier in de
mammoetenzaal van het
KBIN.
Uitsterven
In de loop van de laatste ijstijd kromp het verspreidingsgebied van de wolharige mammoet steeds meer in. Ongeveer 20.000 jaar geleden verdween de mammoet uit de Kaukasus en 12.000 jaar geleden uit West-Europa. Tegen het einde van de laatste ijstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden, stierf de soort in noordelijk Eurazië en Noord-Amerika uit. Op het eiland Wrangel, in de Noordelijke IJszee, ontsnapte de mammoet bijna aan uitsterving. Maar 4.000 jaar geleden verdween de soort ook daar.
Verschillende hypothesen proberen het uitsterven van de mammoet te verklaren. Een eerste houdt de klimaatverandering aan het einde van de laatste ijstijd verantwoordelijk en de daaruit volgende veranderingen in het milieu. Zoogdieren die niet waren aangepast aan de nieuwe omgeving, stierven uit. Een tweede hypothese stelt, dat de prehistorische mens door overbejaging de mammoet zou hebben uitgeroeid. Waarschijnlijk konden de mammoetpopulaties, die door de veranderingen in het klimaat en het milieu uitgedund en verzwakt waren, de verhoogde jachtdruk van de mens niet aan en verminderden ze in aantal tot ze uiteindelijk overal verdwenen.

De mammoet van Lier
Het grootste mammoetskelet van België werd in 1860 in Lier gevonden. Tijdens graafwerken voor een kanaal bij de Nete, legden werklieden een reeks fossiele beenderen bloot. Deze beenderen staken 10 meter diep in zanden, die in de laatste ijstijd door de Nete waren afgezet. De Nete maakte toen, net als de Schelde, Leie en andere rivieren in Vlaanderen, deel uit van de zogenaamde Vlaamse Vallei. Dit is een complex van dalen die tijdens de ijstijden afwisselend uitgeschuurd en opgevuld werden door de werking van rivieren en estuaria. Deze paleovallei werd in de loop van de laatste ijstijd opgevuld met rivier- en windafzettingen. De beenderen van Lier zijn afkomstig van twee volwassen mammoeten en een jonge mammoet. Op dezelfde plaats werden ook botten gevonden van een wolharige neushoorn, een holenhyena, een paard en een hert.
Het mammoetskelet werd gemonteerd en in 1869 voor het eerst aan het publiek getoond: een première voor West-Europa. Alleen het museum van Sint-Petersburg was toen in het bezit van een mammoetskelet. De meeste beenderen van het skelet van Lier behoorden toe aan een enkel mannelijk dier; ontbrekende botten werden in hout nagemaakt. De mammoetstier had een schofthoogte van ongeveer 3,6 m. Hij stierf vermoedelijk toen hij tussen de 30 en 35 jaar oud was, wat afgeleid wordt uit de afslijting van zijn tanden.
Bibliografie
Germonpré, M., 1993, Taphonomy of Pleistocene mammal assemblages of the Flemish Valley, Belgium., Bulletin de l'Institut royal des Sciences Naturelles de Belgique, Série Sciences de la Terre 63: 271-309
Kahlke, R.D., 1994, Die Entstehungs-, Entwicklungs- und Verbreitungsgeschichte des oberpleistozänen Mammuthus-Coelodonta-Faunenkomplexes in Eurasien (Grosssäuger)., Abhandlungen Senckenbergischen Naturforschenden Gesellschaft, 546: 1-164
Kurtén, B., 1968, Pleistocene mammals of Europe., Nicholson, London, 317p.
Mol, D. & Van Essen, H., 1992, De mammoet, sporen uit de ijstijd., Bzztôh, 144p.
Olivier, R.C.D., 1982, Ecology and behavior of living elephants: bases for assumptions concerning the extinct woolly mammoth., In: Hopkins, D.M., Matthews, J.V.; Schweger, C.E. & Young, S.B. (Editors). Paleoecology of Beringia. Academic Press, pp. 267-279
Scohy, F., 1860, Sur des ossements fossiles découverts à Lierre, le 28 février 1860., Bulletin Académie royale de Belgique, Classes des Sciences, 2me série, 9: 436-455
Stuart, A.J., 1991, Mammalian extinctions in the Late Pleistocene of northern Eurasia and North America., Biological Review, 66: 453-562
Vartanyan, S.L., Garutt, V.E. & Sher, A.V., 1993, Holocene dwarf mammoths from Wrangel Island in the Siberian Arctic., Nature, 362: 337-340